Veterinaire Verhalen over Landbouwhuisdieren

Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne

 

23. Bedrijfsprobleem (sportgeneeskunde van de koe)

Als een koe aanvankelijk vierenveertig liter melk per dag produceert en een dag later nog ‘maar’ dertig liter, wat mankeert dan zo’n koe? Ziek is ze niet, maar ze is ook niet in topconditie. En als zo’n productiedaling met dertig procent een aantal koeien overkomt, heb je een bedrijfsprobleem.

Melkquotum en superheffing
In de jaren zeventig groeiden de agrarische bedrijven explosief door Europese landbouwsubsidies: het aantal koeien op de Brabantse bedrijfjes steeg van gemiddeld vier naar circa veertig. Een melkoverschot en een boterberg in de koelhuizen waren het gevolg. Om die groei weer af te remmen werden in 1984 het melkquotum en de superheffing ingevoerd: van elk bedrijf werd vastgesteld hoeveel melk in 1983 (het referentiejaar) was geleverd  en hoe hoog het percentage melkvet daarin was: want daarvan wordt de boter gemaakt. Van dat melkvetquotum werd vijftien procent afgetrokken: dat werd de hoeveelheid die voortaan jaarlijks op elk bedrijf mocht worden geproduceerd. Levering boven dit quotum werd bestraft met de superheffing: een boete per liter teveel geproduceerde melk. Dat quotum geldt nu nog steeds: de totale melkproductie is al vijfentwintig jaar vijftien procent lager dan in 1983. Intussen is het aantal bedrijven dramatisch verminderd: in de eigen praktijk was het aantal melkleverende bedrijven in 1987 nog honderdzesenvijftig. In 2000 was dat teruggelopen tot vijftig. In dertien jaar was dus tweederde van de bedrijven verdwenen. Het aantal koeien per bedrijf verdubbelde wel van circa veertig naar tachtig, maar per saldo was er eenderde minder melkkoeien. En ook na 2000 gaat die ontwikkeling nog gewoon door: het totale aantal koeien blijft verder teruglopen ondanks de schaalvergroting van de individuele bedrijven. De rundveesector verandert erdoor van dierhouderij in bioindustrie, zoals dat eerder al gebeurde met de pluimvee- en de varkenssector.

Investeren
Boeren die met hun bedrijf stoppen, verkopen hun melkquotum aan bedrijven die nog door blijven gaan. De prijs is ongeveer een miljoen euro voor een quotum van 500.000 liter melk met vier procent vet. Dat is de jaarproductie van ongeveer zeventig koeien. Bedrijven die nog verder willen groeien moeten dus fors investeren. En niet alleen in extra melkquotum. Want voor meer melkproductie moet de veestapel worden uitgebreid. Dat vereist grotere stallen en meer mestopslag; een andere melkmachine en een grotere melktank. De grotere veestapel heeft ook meer voer nodig. Dat vereist een groter areaal akker- en weidegrond. De schuldenlast van de overblijvende boeren groeit door dit alles enorm en dat bemoeilijkt hun concurrentiepositie. En waar vind je in Nederland nog voldoende betaalbare grond? Ons land wordt immers volgebouwd.

Gewassenteelt
Van elk perceel wordt om de vijf jaar een grondmonster onderzocht in een laboratorium voor bodem- en gewasonderzoek om de optimale bemesting vast te stellen. Die bemesting bestaat niet alleen uit gier en kunstmest, maar ook uit kalk of kobalt en andere spoorelementen; of landbouwzout als daaraan een tekort is. Uitputting van de grond moet worden voorkomen. Want de opbrengst aan gewassen is groot: in een goede zomer kan tot zeven keer gras worden ingekuild en mais wordt in vijf maanden wel drie meter hoog. De mest wordt niet meer over het land uitgespreid maar in de grond geïnjecteerd bij de wortels van het gewas. Dat is niet alleen milieuvriendelijker maar het zorgt ook voor een snellere groei.

001

mestinjectie

Veestapel
Tot in de jaren zeventig dienden de koeien een dubbel doel: zowel de melk als hun vlees was van economisch belang. Sindsdien worden aparte melk- en vleesrassen gefokt. Melk wordt nu voornamelijk nog geproduceerd door Holstein Frisians: van oorsprong een Europees ras dat later vanuit Amerika over de wereld is verspreid. De productie per koe is gestegen van ruim 5000 liter per jaar in 1983 naar gemiddeld bijna 8000 liter in 2008. Maar het melkquotum is nog steeds vijftien procent minder dan in 1983. Dat quotum wordt nu volgemolken door zestig procent van het aantal koeien in 1983. De mestproductie is nu dus veel minder dan toen. De berichten in de media over het mestoverschot moeten dus nodig worden genuanceerd.

Voeren
Tegenwoordig krijgt alleen jongvee weidegang; melkkoeien komen weinig of niet meer buiten. Een dagproductie van veertig tot vijftig liter melk eist een uitgekiend rantsoen met maissilage en kuilgras als basis. Daarvan moet heel veel gevreten worden. Alleen weidegras volstaat daarvoor niet. De moderne melkkoe heeft dus geen tijd meer om buiten in de wei te luieren. Dat zogenaamde ruwvoer moet dag en nacht beschikbaar zijn. Om de kwaliteit en smakelijkheid optimaal te houden, wordt het tweemaal per dag ververst. De restanten worden aan het jongvee en de droogstaande koeien gevoerd. Voor de samenstelling van een rantsoen worden eerst de mais- en graskuil geanalyseerd. Dan wordt bepaald welke producten toegevoegd moeten worden: bijvoorbeeld aardappels, soja of raapzaad; bierbostel of palmpittenschroot. Ook een mineralenmengsel wordt toegevoegd. Verder krijgt elke koe via de voercomputer twee of drie verschillende soorten krachtvoer. In de stal staan daarvoor een aantal voerboxen. De koe wordt daarin herkend aan een transponder om haar nek. Voor elke koe wordt de dagelijkse hoeveelheid krachtvoer berekend naar gelang de melkproductie en de gehaltes daarin aan melkvet en eiwit. Het voeren van melkkoeien is dus vakwerk. Een fout in het rantsoen veroorzaakt productiedaling en het brengt de gezondheid van de dieren in gevaar.

002

voergang met tractor

Melken
Op de meeste boerderijen wordt twee keer per dag gemolken. Bij gebruik van melkrobots kunnen de koeien zichzelf de klok rond aanbieden om gemolken te worden. Maar de investering voor zulke robots is groot. Het roterende melkplatform is een alternatief. Daarbij staan twintig of meer koeien op een groot ringvormig platform. Dat draait langzaam rond terwijl de koeien gemolken worden. In het midden, waar de boer staat, is de vloer een stuk lager: de ‘melkput’. De uiers van de koeien bevinden zich op ooghoogte. Hun productie wordt gemeten: als die meer dan twintig procent  afwijkt van normaal wordt dat gesignaleerd. Het celgetal van de melk wordt bewaakt als indicator voor uierontsteking: de boer kan die melk dan aftappen zodat ze niet in de melktank komt. Als de uier leeg is, worden de tepelbekers automatisch afgenomen en gespoeld. De koe die is uitgemolken stapt van het platform af en de volgende stapt erop. Negentig koeien die elk 8000 liter per jaar geven, produceren samen twee keer per dag bijna duizend liter melk. Die wordt naar een roestvrijstalen tank gepompt waarin ze snel tot 4º C wordt afgekoeld. Elke drie dagen komt de tankwagen van de melkfabriek dan zo’n zesduizend liter ophalen. Grotere bedrijven hebben meer melkquotum en een nog grotere melktank.

003

roterend melkplatform

Productiedaling
Als de productie van een aantal dieren beduidend minder is dan normaal zodat ze bij het melken worden gesignaleerd, wat is er dan aan de hand? De oorzaak daarvan kan in de meest uiteenlopende dingen zitten. Het rantsoen kan niet goed zijn samengesteld of de kwaliteit van één van de bestanddelen is onvoldoende. Een goed rantsoen kan onvoldoende zijn gemengd waardoor de koeien selectief gaan vreten. De toevoer van krachtvoer in een van de voerboxen kan stagneren of een van de silo’s werd met een verkeerde soort brokken bijgevuld. Het kan te warm zijn in de stal of er heerst onrust bijvoorbeeld doordat er te weinig ligplaatsen zijn voor alle koeien. Koude tocht op de liggende dieren kan onzichtbare (subklinische) uierontstekingen veroorzaken en dat heeft een daling van de melkgift tot gevolg. Zulke uierontstekingen kunnen ook veroorzaakt worden doordat de melkmachine niet goed is afgesteld. Of de machine is verouderd en kan de melkstroom niet vlug genoeg afvoeren naar de tank; er ontstaan vacuümschommelingen bij de speenpunten waardoor de slotgaten eeltig worden en  het tepelkanaal onvoldoende afsluiten zodat bacteriën de uier kunnen binnendringen. Het klauwbekappen kan te lang zijn uitgesteld: koeien met  pijnlijke poten blijven minder lang aan het voerhek staan en vreten minder waardoor hun productie daalt. Het klinkt misschien vergezocht maar het zijn allemaal praktijkgevallen en de meeste daarvan komen vaak voor.

Sportgeneeskunde
Productiedaling kan dus het gevolg zijn van een hapering in vrijwel elk onderdeel van de bedrijfsvoering. De systematische aanpak van een dergelijk bedrijfsprobleem begint met een grondig onderzoek van enkele koeien die onder hun normale niveau presteren: het is een soort sportgeneeskunde van de koe. Zij wijzen de richting waarin je de oorzaak moet zoeken. Een dergelijk probleem is een uitdaging voor het vakmanschap van de veearts. Zo heb ik dat althans ervaren.

004

onderzoek van het hart

| Index Landbouwhuisdieren |
>> volgende: 24. Bedrijfsbegeleiding (vruchtbaarheidsonderzoek)

 

www.verberneboek.nl
ISBN 978-90-812153-7-4
© 2008-2009 Rogier Verberne