| |
3. Kalf afzagen (foetotomie)
Een kalf dat te groot is om de geboorteweg te passeren, wordt verlost door middel van een keizersnede. Die ingreep wordt al meer dan veertig jaar op de boerderij uitgevoerd. Daarvóór moest zo’n kalf in de baarmoeder in stukken worden gezaagd om via de natuurlijke weg ter wereld te komen. Dat slagerswerk heet ‘foetotomie’ en kwam vroeger vaak voor. Nu worden alleen gestorven en rottende vruchten nog afgezaagd omdat de keizersnede dan voor het moederdier een te groot risico vormt op buikvliesontsteking en sepsis (algemene infectie).
Eetlust
Voor veeartsen zijn veel dingen gewoon die andere mensen onsmakelijk vinden. Hun dagelijkse werk op de boerderij speelt zich af temidden van mest en urine en ook de behandeling van wonden en abcessen behoort tot hun regelmatige bezigheden. Als ze praten over zulk werk zal menigeen dat als onappetijtelijk ervaren. Maar de eetlust van de veearts lijkt nergens onder te lijden. Een collega zei dat aan tafel zo: “ze mogen gerust naast m’n bord schijten, als het maar niet op m’n bord gebeurt.” Toch is het afzagen van een kalf in staat van ontbinding een ingreep die zelfs in deze beroepsgroep enig respect geniet.
Overlaat
Het is ochtend en ik moet naar de Kruisstraat, een buurtschap behorend bij Rosmalen in het noordelijk deel van de praktijk. De boerderijen staan op het hogere zand tegen de straat. Daarachter strekt de polder zich laag en ver uit naar het noorden; tot over de wetering naar Het Wild en verder tot Maren-Kessel aan de Maas. Lang geleden behoorde de polder tot het stroomgebied van de rivier: bij hoge waterstanden diende het gebied als overlaat. Het Maaswater strekte zich dan uit van Beers, ten oosten van Grave, tot Bokhoven, ten westen van Den Bosch: een waterplas van tientallen vierkante kilometers. Een oude boer uit Berlicum vertelt dat hij als kleine jongen achter op de fiets bij zijn vader naar Den Bosch was geweest en na thuiskomst tegen z’n moeder zei: “mama, ik heb de zee gezien”. In 1932 werd begonnen met het verhogen van de dijk en kwam een eind aan de Beerse Overlaat. Maar de naam Overlaat kom je in de regio nog tegen.
1970: grupstal voor vier koeien
Grupstal
Een veehandelaar hier heeft gebeld. Hij houdt al enkele dagen een vaars op stal omdat ze over tijd is maar nog geen aanstalten maakt om te kalven. Ze is van het vleestype: flink bespierd maar met een kleine uier: afgestemd op het zogen van een kalf en niet om melktanks te vullen. Het vleesras waartoe ze behoort wordt hier ‘blonde Argentijn’ genoemd. Maar het ras is niet afkomstig uit Argentinië; de oorsprong van de Blonde d’Aquitaine ligt in Frankrijk. De vaars staat alleen in de grupstal; de rest van het koppel vee loopt buiten. Ze staat met de kop tussen houten palen. Die staan rechtop in de bodem achter de voergoot. Bovenaan zijn ze bevestigd aan een balk. De vaars heeft een halsband om en staat met twee kettingen vast aan die palen. Achter haar is de grup met daar weer achter een smal pad langs de muur. De grup is een sleuf in de bodem om de mest en urine van de koeien op te vangen. Hij mondt uit in de gierput die buiten de stal in de grond zit. Totdat in de jaren zeventig de open loopstal zijn opmars begon in de veehouderij was de grupstal hier algemeen. Hij was ‘het achterhuis’ van de langgevelhoeve. Het achterhuis vormde één geheel met het voorhuis waar de boer woonde met zijn gezin. Nu zijn veel van die boerderijen verbouwd tot een dubbele woning.
Onderzoek
Omdat deze vaars gedekt is door een dikbilstier werd een wat langere draagtijd wel verwacht. Maar het duurt nu toch wel erg lang. Ze staat met de rug iets opgebogen, maar ze perst niet. Een emmer water staat al klaar op het pad tegen de muur achter de grup. In de vensterbank liggen een schone handdoek en een nieuw stuk zeep op een schoteltje: de veearts wordt hier nog in zijn waarde gelaten. Ik sta achter de vaars in m’n plastic broek en verlosschort. De korte mouwen sluiten strak om de bovenarmen om het vruchtwater niet onder m’n oksels naar binnen te laten lopen. De buurman leunt tegen de muur. Hij is geroepen om te komen helpen. Zijn zoon is ook thuis voor als het moeilijk wordt. De eigenaar staat naast de vaars en houdt de staart voor me opzij. In de geboorteweg voel ik alleen een staartje. Nog wat verder, binnen de baarmoeder, komt m’n hand tegen de rug van het kalf. De haren laten los en gas knistert onder de huid: “Dit is foute boel”. Ik zeg het hardop. Dan trek ik m’n hand terug en houd hem onder de neus van de eigenaar. Die draait met een ruk zijn hoofd om: “Nééje, ik gleuf oe zó ôk wel!” Een kadaverlucht verspreidt zich. Het kalf ligt in stuitligging; maar de achterpoten steken daarbij niet in de geboorteweg naar achteren, zoals bij die ligging gebruikelijk is. Ze liggen onder het kalf naar de voorkant van de vaars: een heupligging heet dat. Doordat alleen een staartje in de geboorteweg aanwezig is, perst de vaars niet en heeft de eigenaar dagenlang tevergeefs op weeën staan wachten. Intussen is het kalf gestorven en het ontbindingsproces begonnen. Desondanks is de vaars niet ziek. Ze eet wel wat minder, maar vlak voor de bevalling is dat niet ongewoon. Het is niet te geloven wat koeien kunnen verdragen: een baarmoeder vol rottend vlees in de buik en toch niet ziek! In heupligging is de geboorte van het kalf niet mogelijk: zelfs een normaal, levend kalf kan in deze houding het bekken niet passeren. Repositie van de emfysemateuze achterpoten in deze strakke en slecht ontsloten baarmoeder is uitgesloten. Ook een keizersnede is geen optie: de baarmoeder is één groot vat vol bacteriën en bij de operatie zou het openen ervan en het naar buiten brengen van de rottende vrucht onvermijdelijk tot bezoedeling van de buik en tot buikvliesontsteking leiden. Nee, om deze vaars te redden blijft maar één oplossing over: het kalf moet binnen de baarmoeder in stukken worden gezaagd, stuk voor stuk klein genoeg om de geboorteweg te passeren. En slachten? De vaars is niet ziek en niet sterk vermagerd. Volgens de EU-richtlijn zou ze dus geslacht mogen worden. Maar ik durf de eigenaar geen goedkeuring van het vlees te garanderen. Eerlijk gezegd, zou ik er zelf geen stuk van lusten.
embryotoom
Zagen
“Laat ook je zoon maar even komen”. De buurman vertrekt. De eigenaar gaat een kruiwagen halen en zelf loop ik naar de auto om het embryotoom te pakken. Dat apparaat heeft iets weg van een dubbelloopsgeweer, maar zonder de kolf. Op de plaats van het vizier zit hier een stalen handgreep. Door de twee holle, stalen buizen van bijna een meter lengte wordt een draadzaag gevoerd. Dat is een dun en soepel koord van gevlochten staaldraden. Die draadzaag vormt een lus aan de punt van het embryotoom. Aan de twee einden die bij de handgreep weer uit de beide buizen naar buiten komen, wordt elk een handvat bevestigd. Dit apparaat wordt met de punt naar voren in de schede van de vaars geschoven. In de baarmoeder wordt de lus van de draadzaag om het te amputeren lichaamsdeel van het kalf gelegd. In dit geval is dat om een achterpoot. De punt van het embryotoom wordt tegen de rug van het kalf gedrukt naast de staartinplant. Vanuit de baarmoeder loopt de draadzaag dan binnen de stalen buizen door de schede. Tijdens het zagen kan de schede van het moederdier dus niet worden beschadigd. Ik sta gebukt achter de vaars met m’n rechterarm diep in de schede. Met mijn hand houd ik de punt van het embryotoom stevig vast om verschuiven te voorkomen. Het zou niet de eerste keer zijn dat daardoor een gat in de baarmoeder wordt gezaagd. De man die moet zagen staat achter me. Door de draad krachtig heen en weer te trekken aan de handvatten zal hij door de lies van het kalf zagen en de poot amputeren. Zo’n draadzaag gaat overal dwars doorheen: door huid, spieren en botten. Tot hij eindigt tegen de punt van het embryotoom. Bij het fixeren van het apparaat dien je daar, bij de punt, dus weg te blijven met je hand. De zagende buurman zou het niet eens mèrken, een paar vingers extra.
Zes stukken
De achterpoot ligt nu los in de baarmoeder en belandt even later in de kruiwagen. De rottingslucht begint zich nu vrijelijk door de stal te verspreiden.
Als ook de andere achterpoot en vervolgens het bekken met een deel van de romp zijn verwijderd, drijven de ingewanden van het kalf door de baarmoeder in het resterende vruchtwater. En overal zitten losse haren: in de baarmoeder en de geboorteweg; op de draadzaag en het embryotoom; op m’n armen en het verlospak, van m’n laarzen tot m’n kin. Tegen de stank in de stal kun je nu leunen. Hij snijdt je de adem af en je ogen gaan ervan tranen. Zwijgend, bijna verbeten wordt er verder gewerkt. Het is een zwaar karwei. De buurman en z’n zoon zagen om beurten en stuk voor stuk komt het kalf uit de vaars naar buiten. Als ook de kop tevoorschijn is gehaald, vis ik nog wat organen van het kalf op uit de baarmoeder. Daarbinnen is het een bende: bloedsoep met kluif, kalvermest en haren.
in zes stukken gezaagd
Spoelen
Er zal dus gespoeld moeten worden. Maar hevelen met slang en trechter zal niet meevallen: vleesresten en haren zullen de slang verstoppen. Dan zie ik in de hoek van de stal een brandslang hangen op een haspel. De stalen kop met de hendel spoel ik af en schuif hem in de schede van de vaars: zet maar open die kraan. De eigenaar aarzelt maar doet wat ik vraag. Met de hendel kan ik de waterstraal dimmen. Als de baarmoeder is volgelopen, zal ze samentrekken en alle vuiligheid mee naar buiten persen. Maar de baarmoeder van een koe heeft kort na de bevalling een grote inhoud: bijna honderd liter mag je wel rekenen. Het vullen van zo’n groot orgaan kost dus tijd. Minutenlang blijft het water stromen. De eigenaar wordt onrustig. Hij begint rond te lopen door de stal. Aan de voorkant van de vaars blijft hij even staan. Dan drentelt hij verder, maar al gauw komt hij daar weer terug en bekijkt de kop van het dier. Ze heeft nog steeds niet geperst en het water blijft maar naar binnen stromen. En dan komt de prangende vraag: “Woar blieft al dè watter?” Ik zeg dat het dadelijk allemaal weer naar buiten zal worden geperst. Nadat ik het antwoord heb gegeven, dringt de betekenis van de vraag pas tot me door: hij heeft aan de voorkant staan kijken of het water, dat er aan de achterkant inloopt, daar langzamerhand niet naar buiten komt! Op het eerste gezicht lijkt dat misschien gek, maar de gedachte is niet onlogisch: normaal gaat het (drink)water er aan de voorkant in en komt het er, een tijdje later, aan de achterkant als urine weer uit. Waarom zou ook de omgekeerde weg niet mogelijk zijn?
Nazorg
Eindelijk trekt de baarmoeder dan toch samen en een badkuip vol harige bloedsoep wordt uitgestort over mijn verlospak. Het spoelen herhaal ik tot het terugkomende water min of meer helder blijft. Daarmee is het karwei geklaard. Tweeënhalf uur is er onafgebroken gewerkt. Het is al etenstijd. De buren gaan naar huis. Ik was m’n armen en probeer ook de spullen weer een beetje schoon te krijgen. Aan de vaars doe ik nu verder niks: geen antibiotica en geen nageboortecapsules. Die zouden met het resterende water de baarmoeder uitgeperst worden. De eigenaar bindt haar een dek op en ze krijgt lauw water te drinken. Door de inwendige douches met koud water is ze onderkoeld. Morgen kom ik terug voor de nabehandeling. Nee dank je, geen koffie. Ik ga gauw naar huis voor een douche en een grondige schoonmaakbeurt.
Infectie
De volgende ochtend is de stank uit de stal verdwenen. De vaars staat te vreten en haar temperatuur is normaal. Nu stop ik twee nageboortecapsules in de baarmoeder. De schede is niet beschadigd en maar weinig gezwollen: de weerstand van een koe blijft me verbazen. Als ze morgen fit is, mag ze bij het koppel in de wei. Want zo alleen op stal heeft het dier ‘geen aard’. Toch onstaat er een infectie. Nee, niet bij de vaars, maar bij mij. Op m’n arm komen eerst rode vlekjes; dat worden bultjes en die krijgen puskopjes. In het laboratorium wordt daaruit een bacterie gekweekt: Actinomyces pyogenes staat op het uitslagformulier. Dat is de bacterie die de rottingsprocessen in kadavers domineert. Maar ik ben niet ziek en de lymfklieren in m’n oksel zijn niet opgezet. Ook aan mijn eetlust mankeert niks. Alleen eet ik een paar dagen met m’n linkerhand. Anders krijg ik bij elke hap nog die kadaverlucht in m’n neus. En dat bederft het genoegen van de maaltijd. Zelfs voor een veearts. | Index Landbouwhuisdieren |
>>
volgende: 4. Onderlinge veeverzekering (slepende melkziekte) |
|