Veterinaire Verhalen over Landbouwhuisdieren

Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne

 

13. Lebmaagverplaatsing (een koe die niet vreet)

Leb is het middel om melk te stremmen. Bij kalveren vindt die stremming plaats in de vierde en laatste maag, die daarom lebmaag wordt genoemd. Die bevindt zich bij het volwassen rund op de bodem van de buik ter plaatse van de navel. Bij het staande dier is dat het laagste punt tussen de vier poten, als je de uier niet meerekent. Aan de voorkant komt het voedsel de lebmaag in vanuit de boekmaag; aan de achterkant gaat het verder de darm in. De ingang vanuit de boekmaag en de uitgang naar de darm zitten vast op halve buikhoogte. Maar het middendeel ligt los op de buikbodem.

Gasvorming
Bij de voorvertering van het voedsel in de pens, dat is de eerste maag,  komt veel gas vrij. Voor een deel wordt dat opgeboerd, deels wordt het naar achteren afgevoerd via de lebmaag naar de darm. Door de koe steeds meer krachtvoer te geven, kan de lebmaag op een bepaald moment dat gas niet vlug genoeg meer doorvoeren en vormt zich een gasbel. En zoals iedere gasbel wil die omhoog. Als de pens niet stevig genoeg gevuld is met ruwvoer en daardoor de weg naar boven verspert, draait de lebmaag-met-gasbel om zijn lengteas en kruipt met de onderkant vooruit naar boven. Meestal gebeurt dat aan de linkerkant tussen de pens en de buikwand. Bij de ingang vanuit de boekmaag en bij de uitgang naar de darm ontstaat dan een knik in de lebmaag. Daardoor kan het gas niet meer weg: het zit in het middendeel opgesloten als in een ballon. En de kracht van zo’n ballon is groot: probeer maar eens om de luchtballon van een kind aan het touwtje onder water te trekken. De gasbel in een verplaatste lebmaag is even groot.

Operatie of rollen
Er zijn twee methoden om een naar boven verplaatste lebmaag weer op zijn normale plaats onder in de buik te krijgen: via een operatie bij het staande dier of na neerleggen en op de rug rollen van de koe. Tijdens de operatie bij het staande dier wordt de buik in de linkerflank geopend en wordt de lebmaag krachtig omlaag geduwd. Zodra de knik aan de voor- en achterkant zich herstelt, stroomt het gas uit de lebmaag weg: deels via de boekmaag terug naar de pens en deels naar achteren de darm in. Het middendeel van de lebmaag wordt daarna onder aan de buikbodem met een grote hechting van binnen naar buiten naast de navel vastgezet. Bij de tweede techniek wordt de koe neergelegd en op haar rug gerold. De gasbel in de lebmaag wil naar het hoogste punt in de buik en dat is dan de navel. Dus precies de plek waar de lebmaag ook hoort. Je steekt dan van buitenaf dwars door de buikwand in de lebmaag en knoopt de twee einden van de hechtdraad naast de navel aan elkaar. Het resultaat van beide ingrepen is dus hetzelfde: zowel na de operatie bij het staande dier als na het rollen en steken zit de lebmaag op de juiste plek vastgehecht aan de buikbodem met een hechting naast de navel.

Wat is beter?
Van deze twee technieken werden zeer uiteenlopende resultaten gemeld. Daarom hebben we ze in de eigen praktijk vergeleken in de loop van 1988. Tien koeien werden staande geopereerd en tien andere werden gerold. De nabehandeling was gelijk: de koeien kregen gedurende tien dagen geen krachtvoer. Daarna werd de krachtvoergift geleidelijk opgevoerd: pas drie weken na de ingreep kregen ze het volledige rantsoen. Want zo lang duurt het totdat de lebmaag stevig zit vastgegroeid aan de buikbodem. Een paar maanden na de ingreep waren nog zeventien van de twintig koeien op de bedrijven aanwezig: drie dieren uit de groep die was gerold, bleken te zijn afgevoerd vanwege complicaties die op een buikvliesontsteking duidden. De overgebleven zeventien koeien deden het goed: ze hadden normale lactatiewaarden. Het betekent dat hun melkproductie niet onderdeed voor de andere dieren op hetzelfde bedrijf.

Lebmaagverplaatsing. 1970: koe geeft 15 liter melk per dag

1970: 15 liter melk per dag


Lebmaagverplaatsing. 2000: koe geeft 50 liter melk per dag

 2000: 50 liter melk per dag

Krachtvoer
Maar vier jaar later ging het slecht met onze lebmaagkoeien: in 1992 werd de helft van de behandelde dieren afgevoerd, zo bleek uit de administratie van het veefonds in Berlicum. In de tussenliggende jaren was de melkproductie geweldig gestegen. Dat kwam vooral door een veel betere voeding: koeien kregen niet langer alleen gras maar ook grote hoeveelheden gehakselde mais en vooral: twee- tot driemaal zoveel krachtvoer. De keerzijde daarvan was dat er veel meer lebmaagverplaatsingen voorkwamen. Want lebmaagverplaatsingen komen voor bij koeien die veel krachtvoer te vreten krijgen. Maar waarom kregen de patiënten die daarvoor behandeld werden  nu zoveel meer problemen?

Nabehandeling
Na de ingreep (operatie of rollen) zit de lebmaag vastgehecht aan de buikbodem. Maar zo’n hechting is niet bestand tegen de grote trekkracht die ontstaat als zich opnieuw een gasbel vormt in de lebmaag. Pas na drie weken zit de lebmaag daarvoor stevig genoeg vastgegroeid. De hechtdraad zelf weerstaat die trekkracht wel, maar de wand van de lebmaag niet: die scheurt uit en de lebmaag gaat dan opnieuw omhoog. De vorming van een nieuwe gasbel in de lebmaag moet dus worden voorkomen totdat die maag stevig op zijn plaats zit vastgegroeid. Daarom mag pas drie weken na de ingreep de volledige hoeveelheid krachtvoer worden verstrekt aan de behandelde dieren. Maar veel boeren zijn bang dat een koe die in het begin van de lactatie niet volop wordt gevoerd, een achterstand oploopt in de melkproductie die ze niet meer inhaalt. Bij controle van de behandelde koeien bleek het daar dan ook fout te gaan: ze kregen kort na de ingreep alweer krachtvoer, soms al de volgende dag.

Onvoldoende melkproductie
Er wordt een visite gevraagd voor twee koeien die achterblijven in de melkproductie. Ze hebben pas gekalfd, maar de melkgift daalt in plaats van verder te stijgen. Dat kan veel verschillende oorzaken hebben: uierontsteking of een ontsteking elders in het lichaam; ook een hartkwaal kan een teruglopende melkproductie veroorzaken. Verminderde voeropname veroorzaakt productiedaling en bij een probleem in het maagdarmkanaal vreten koeien minder bijvoorbeeld bij scherp-in; of door een stofwisselingsstoornis zoals slepende melkziekte. Maar ook pijnlijke poten kunnen een verminderde voeropname tot gevolg hebben. Een koe die minder produceert moet daarom helemaal worden onderzocht. In dit geval hebben beide dieren een lebmaagverplaatsing Ze worden alle twee staande geopereerd. De volgende dag verloopt het herstelproces perfect. Maar de tweede dag is één van de twee niet in orde. Bij onderzoek blijkt de lebmaag opnieuw te zijn verplaatst. En jawel hoor: ze kregen dus toch enkele kilo’s krachtvoer. “Anders kunnen ze geen melk geven en daar heb ik ze voor” is het commentaar van de boer. Dat die mindere productie maar tijdelijk is en na enkele weken zal terugkomen, wil er bij hem niet in. De ene koe is geslacht, de andere heeft het gered ondanks het krachtvoer. Het veranderen van voergewoonten is bij koeienboeren een gevoelig punt: het gaat daarbij om hun vakmanschap als boer en dat raakt hen in hun eer. Eigenwijs was het natuurlijk ook wel. Maar een oude boerenwijsheid zegt: “Eigenwijs is ook wijs”. Toch was het jammer van de koe.

| Index Landbouwhuisdieren |
>> volgende: 14. Drieling

 

www.verberneboek.nl
ISBN 978-90-812153-7-4
© 2008-2009 Rogier Verberne