Veterinaire Verhalen over Landbouwhuisdieren

Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne

 

22. Melkveebedrijf (vaarzenverlossing)

Bij de bevalling van een koe moet door de geboorteweg een kalf passeren dat zo’n veertig kilo weegt. De ontsluiting van de geboorteweg vraagt daarom veel tijd vooral bij vaarzen die hun eerste kalf ter wereld brengen. Maar als de klauwtjes van het kalf ’s avonds al uit de schede naar buiten steken, is wachten tot de volgende ochtend wel erg lang.

Middernacht
Het is ’s nachts halftwee als de telefoon gaat: de verlossing van een vaars. Het dier is de hele middag onrustig geweest: telkens ging ze liggen en opstaan en de eerste dikke melk, de biest, drupte uit de gespannen uier. Onder het avondmelken is de waterblaas gebroken. ’s Avonds is de boer een paar keer in de stal gaan kijken. Om elf uur was ook de pootjesblaas gebroken en waren de klauwtjes van het kalf te zien. Hij heeft in de schede gevoeld: het kalf ligt goed, maar de poten zijn grof: het zal dus een zwaar kalf zijn. Trekken aan de poten leverde weinig op. Wat nu? Wachten tot morgenochtend kan een dood kalf tot gevolg hebben. Maar het nachttarief van de veearts is om elf uur ingegaan. En het kán misschien meevallen. Dus wordt de wekker gezet op halftwee.

Open loopstal
Voor de grote schuifdeur van de koeienstal stap ik uit de auto en pak m’n verloskoffer. Het is herfst en al koud. De koeienstal is een grote, hoge hal met zo’n negentig loslopende koeien verdeeld over drie vakken en in het midden een voergang. De meeste dieren liggen op een betonnen verhoging aan de zijkant te herkauwen. Elke ligplaats is afgebakend door beugels. Twee koeien staan in een voerbox en krijgen via de voercomputer de brokken waarop ze voor vandaag nog recht hebben. Voor het voerhek ligt  een flinke hoeveelheid gehakselde mais en kuilgras. Het melkquotum is hier 750.000 liter en dat moet worden volgemolken. Per koe moet meer dan 8000 liter melk per jaar geproduceerd worden. Dat gaat niet op een rantsoen van enkel gras: krachtvoer en mais zijn daarbij nodig. Vooral van het ruwvoer moeten enorme hoeveelheden gevreten worden, dag en nacht. De koeien moeten daarvoor ook heel veel drinken: per dag wordt in zo’n stal een paar duizend liter water gedronken; zeg maar gezopen.

Gierput
Dus wordt er vaak en veel gemest en geplast. Door de vloer van betonnen roosters valt dat in een diepe ruimte onder de stal, de gierput. Een diepte van twee meter bij een oppervlakte van 800 m² betekent een capaciteit voor 1600 m³ drijfmest. Want die moet worden opgeslagen tot februari. Dan mag er weer worden uitgereden over het land voor de noodzakelijke groei van vooral mais en gras. In zo’n loopstal ligt geen stro: dat zou de roosters verstoppen en problemen geven bij het leegpompen van de put. De ligboxen worden met zaagsel drooggehouden. In drijfmest ontstaan giftige dampen. Bij werkzaamheden in de gierput zijn enkele boeren daaraan overleden. Die dampen moeten doorlopend worden afgezogen uit de stal. Daarvoor zorgt de open nok in het dak over de hele lengte. Voor de aanvoer van frisse lucht zijn beide zijkanten dan weer open: de wind wordt gebroken door een wand van gaas. Het waait dus niet echt in de stal, maar koud is het wel. Rationeel en efficiënt is het allemaal, maar behaaglijk of gezellig kun je zo’n moderne stal niet noemen.

001

roostervloer en ligboxen; de zijkant van de stal  is open

Onderzoek
Er moet nu gewerkt worden en vlug: de bovenkleding uit en het plastic verlospak aan. Het wordt er niet warmer op. Dan handen en armen wassen. In de hoek zorgt een halfhoog muurtje voor afscheiding. Daar ligt de vaars op haar zij in de ligbox; ze perst krachtig en brult bij elke wee. De voorpoten van het kalf komen naar buiten tot de kogels; in mensenanatomie zijn dat de middelvingers. Ik ga door de knieën, spoel het achterstel van de vaars schoon en maak m’n armen glad met een glijmiddel. In de geboorteweg ligt de kop op de voorpoten. Het kalf slikt als ik met mijn vinger achter op de tong druk. Dan moet ik plat op mijn zij. De boer heeft een stuk plastic op de roosters gelegd achter de vaars. M’n rechter arm schuift naar binnen tot de oksel; m’n hoofd komt tegen de staart. De mond van de baarmoeder is ontsloten. Uit de emmer met water en een scheut betadine vis ik met de andere hand de verlostouwtjes. In feite zijn het geen touwtjes maar vingerdikke kunststof koordjes. Om elke voorpoot van het kalf komt een lus in de kootholte, onder de kogel. Aan het andere eind van elk koord komt een korte knuppel (van pvc): “trek maar, Rien”. Hij zet zijn hakken tussen de roosters en hangt aan de koorden. Zo trekt hij de schouders van het kalf tegen de bekkeningang van de vaars. Met m’n vingers meet ik de ruimte daar: het zal maar net gaan.

Geboortekrik
Om grotere trekkracht uit te kunnen oefenen, wordt bij de koeienbevalling een geboortekrik gebruikt; een vaak verguisd maar onmisbaar hulpmiddel. De krik is in de plaats gekomen van de vroegere burenhulp. Bij honderdtwintig geboortes per jaar is die hulp niet meer op te brengen. Zeker als ook de buren zelf zoveel koeien en vaarzen hebben. Die krik is een stalen stok van twee meter lang. Aan het eind zit een beugel die tegen de kont van de koe wordt gedrukt. De ruimte binnen de beugel is groot genoeg om een kalf door te laten. De steel steekt naar achteren in het verlengde van de koe. De verloskoordjes worden met de vrije einden (waar eerst de knuppels zaten) vastgehaakt aan een beweegbare klem. Die zit rond de steel van de krik en wordt met een hendel naar achteren bewogen, dus van de koe af.

002

geboortekrik met klem, verloskoordjes en beugel

De boer zit op zijn hurken achter me en bedient de hendel. “Alleen krikken als ze perst, Rien: ja, nu!” Het kalf schuift door de geboorteweg, met korte pauzes tussen de weeën. Zodra de kop geboren is, zet ik een schroefbeweging in: m’n armen tussen de voorpoten van het kalf en m’n handen op zijn hals. De bedoeling is om het achterstel van het kalf in de geboorteweg een kwartslag te draaien. Omdat het bekken van de koe inwendig wat meer ruimte heeft in verticale richting, terwijl het kalf op de heupen, dus horizontaal, juist het breedst is. Vandaar. Nog een paar keer krachtig persen en ja: de verlossing is een feit. Het kalf leeft. Maar nog voordat ik rechtop kan gaan staan, klinkt het achter me hard en hartgrondig: “Nondetjuu!”

Stierkalf
De boer is kennelijk ontevreden. En wie dacht dat boeren geen vreemde talen spreken, moet die opvatting herzien: dit is je reinste Frans. Nou ja, het reinste niet, maar van origine is het Frans. En hij heeft er geen seconde over nagedacht. Maar wat ging er dan toch, in ’s hemelsnaam, verkeerd? Hij heeft een levend kalf en een onbeschadigde vaars: Wat wil je meer? Door het draaien van het kalf in de geboorteweg kwam het achterstel ruggelings naar buiten. De achterpoten vielen toen meteen open en het stiertje toonde uitdagend zijn geslacht. En daar schuilt het probleem: dit is al zijn 80e kalf dit jaar en de 70e stier! Door de teleurstelling zullen de getallen wat overdreven zijn; maar er zijn hier veel meer stieren geboren dan vaarskalveren, zoveel is duidelijk. En dat moeten er toch van elk evenveel zijn? Nou dan!

Veestapel
De reikwijdte hiervan zal niet voor iedereen direct duidelijk zijn. Straks zal hij een belangrijk deel van deze jaargang missen in zijn koeienstapel. En een harmonische opbouw is nodig voor een doorlopende melkproductie. Bij een koeienboer moet er melk in de tank komen voordat hij brood op de plank krijgt. Het melkquotum bepaalt grotendeels zijn inkomen. Alles lijkt goed te komen. want het jaar daarop wordt een overschot aan vaarskalveren geboren. Maar dat veroorzaakt een ander probleem: stierkalveren worden na een dag of tien verkocht en van het bedrijf afgevoerd; vaarskalveren worden op het eigen bedrijf opgefokt. Bij de bouw van de stallen is daarvoor in een gemiddelde capaciteit voorzien. Wat extra ruimte is er wel, maar echte overcapaciteit kost geld en daarvoor is dus geen plek.

Gebouwen
Een modern melkveebedrijf heeft meestal drie aparte stallen: één voor de kalveren tot de leeftijd van ongeveer drie maanden. Een jongveestal voor de oudere kalveren en pinken tot even vóór het afkalven, dus tot bijna twee jaar. En de koeienstal. Verder is er een loods waarin de tractor(s) worden gestald en de landbouwmachines. En dan is er nog de woning aan de straat. Vaak is dat de oorspronkelijke langgevelboerderij. Vroeger woonde daarin  niet alleen het gezin, maar in de winter stond in het achterhuis van die boerderij de hele veestapel. Om het plaatje compleet te maken: opzij van de koeienstal staan twee krachtvoersilo’s en achter de stallen ligt de voorraad ruwvoer op een betonnen bodem. Dat zijn twee langgerekte bergen: één van gehakselde mais en één met gedroogd gras. Elk zo’n veertig  meter lang,  tien meter breed en drie meter hoog. Zo ziet rond het jaar 2000 een gemiddeld Brabants melkveebedrijf eruit.

Opfok
Een melkkoe kalft één keer per jaar. Maar als je negentig koeien melkt, krijg je per jaar toch ongeveer honderdtwintig kalveren. Dat komt doordat elk jaar ongeveer eenderde van de koeien wordt afgevoerd en vervangen door vaarzen. Die moeten kalven voordat ze melk kunnen geven. Vandaar dertig kalveren extra. Bij de bouw van de kalverstal is dus gerekend met de geboorte van ongeveer zestig vaarskalveren verdeeld over het jaar. Bij een plotseling teveel aan vaarskalveren moet er dus worden geselecteerd en verkocht. Maar de opbrengst van een nuchter vaarskalf is lager dan de prijs van een stierkalf. Die twee geboortegolven hebben de boer dus twee keer geld gekost: eerst door de opbouw van zijn veestapel te verstoren en vervolgens nog eens doordat de vaarskalveren te weinig hebben opgebracht: “Nondetjuu!” Een boer die niet klaagt, is een overleden boer. Dat geldt ook in Brabant.

003

nuchter kalf

| Index Landbouwhuisdieren |
>> volgende: 23. Bedrijfsprobleem (sportgeneeskunde van de koe)

 

www.verberneboek.nl
ISBN 978-90-812153-7-4
© 2008-2009 Rogier Verberne

andere e-boeken van Rogier Verberne: Q-koorts en Vergelijking van racefiets en ligfiets