Veterinaire Verhalen over Landbouwhuisdieren

Rogier Verberne
met tekeningen van Marisca Bruinooge-Verberne

 

19. Mond- en klauwzeer (non-vaccinatiebeleid)

In februari 2001 brak in Engeland mond- en klauwzeer (MKZ) uit. Bij de bestrijding werd zoveel vee gedood dat de destructors al die kadavers niet konden verwerken: van de circa zeven miljoen afgemaakte dieren zijn er toen 345.000 in de openlucht verbrand. De infectie bleef zich echter lange tijd uitbreiden; ook naar Nederland. Hier werden dat voorjaar in totaal 26 gevallen van MKZ vastgesteld en zijn 260.000 dieren afgemaakt: voor elk aangetast dier 10.000 gezonde dieren.

001

preventief ruimen

Symptomen
Zo’n massale diervernietiging is bijna onwerkelijk in landen waar wetten bestaan voor de bescherming van het welzijn van dieren. MKZ is geen ernstige ziekte: aangetaste koeien herstellen spontaan in twee of drie weken en het virus is niet besmettelijk voor de mens. Vijftig jaar geleden kwamen vaak MKZ-uitbraken voor. Oude boeren weten dat nog uit eigen ervaring. Aangetaste dieren kregen blaren in de bek en kwijlden. Ze bleven veel liggen omdat ze ook rond de klauwen blaren kregen: de ziekte heet niet toevallig mond- en klauwzeer. Vrijwel alle vee op de boerderij raakte in het verloop van zo’n uitbraak aangetast. Daarom deden veel boeren bij de eerste zieke koe een doek in de bek en besmetten daarmee de andere dieren om snel van de problemen af te zijn. Het grootste verlies was de mindere melkproductie.

Vaccinatie
Door het toenmalige CDI (Centraal Diergeneeskundig Instituut) werd een vaccin ontwikkeld. Vanaf 1953 werd daarmee in Nederland alle rundvee elk jaar ingeënt en was MKZ onder controle. Bij een uitbraak werd het vee op het besmette bedrijf afgeslacht. De koeien op de omringende bedrijven kregen een extra enting om de verspreiding van het virus tegen te gaan: de zogenaamde ringenting. Die maakte het vee extra immuun en de infectie doofde uit. Deze aanpak is bijna veertig jaar met zoveel succes toegepast dat vanaf 1984 in Nederland geen MKZ meer voorkwam. Tot maart 2001.

Non-vaccinatie
Die jaarlijkse vaccinatie van miljoenen koeien was duur en de export van vlees stuitte op problemen. Daarom werd in 1991 door de Europese Unie een
non-vaccinatiebeleid ingesteld: vaccinatie tegen MKZ werd verboden. In plaats daarvan kwam het preventief ruimen. Bij een uitbraak moesten voortaan alle gevoelige dieren (rundvee, schapen, geiten en varkens) in een straal van twee kilometer rond een besmettingshaard worden gedood en vernietigd in plaats van gevaccineerd. Dat zou op de virusverspreiding hetzelfde effect moeten hebben als een ringenting.

Virusverspreiding
Ook reeën, herten en wilde zwijnen zijn gevoelig voor MKZ en kunnen de ziekteverwekker verspreiden. Muizen, ratten en ander ongedierte brengen het virus van het ene bedrijf naar het andere over en het kan met de wind kilometers ver worden verspreid. Maar de verste verspreiding onstaat door de vele veetransporten. Daardoor is het MKZ-virus al op ver uiteengelegen plaatsen aanwezig op het moment dat de ziekte ergens wordt vastgesteld. Na verloop van enkele jaren zonder vaccinatie verliest het vee de immuniteit tegen het virus. In zo’n onbeschermde populatie gaat een besmetting zich als een lopend vuur verspreiden. Het preventief ruimen rond vele en ver verspreide besmettingshaarden wordt dan een draconische operatie. De weerzinwekkende toestanden bij de uitbraak in 2001 hebben dat geleerd.

Nederland
In maart 2001 wordt in Olst (aan de IJssel) het eerste geval van MKZ vastgesteld bij kalveren die uit Frankrijk zijn ingevoerd. Er worden strenge maatregelen genomen: in het hele land wordt het vervoer van alle levende dieren verboden. Ook het transport van dierlijke producten (vlees, melk en eieren) wordt stilgelegd. In supermarkten en winkels raken de voorraden van verse producten in enkele dagen uitgeput. Maar de verspreiding van het virus is er niet door te stoppen. Tenslotte wordt in het gebied tussen Apeldoorn, Deventer en Zwolle alle vee geruimd. Toch raken in Friesland  twee bedrijven besmet. In Noord-Brabant komen verdachte gevallen voor: maar bij de dieren in Sprang-Capelle, Maren-Kessel, Herpen en Berghem wordt uiteindelijk geen MKZ-virus gevonden. Achteraf blijkt het ruimen daar van duizenden runderen, schapen en varkens onnodig te zijn geweest.

Praktijk
Het is april 2001 en de geruchtenstroom over MKZ in de omgeving draait op volle toeren als ik op straat word aangehouden: “De veearts is bij ons en die mènt da we onder de stiere mond- en klauwzeer hebbe!” Opwinding klinkt in de stem van de boer. De collega wil steun bij deze diagnose die zulke ingrijpende gevolgen heeft. Ik zet de auto aan de kant van de weg. Met een thermometer, een lampje en plastic handschoenen in de zak van m’n stofjas steek ik de straat over. De poort naar het erf is dicht; een bak met ontsmettingsmiddel staat erachter. Ik ga met m’n laarzen in de bak staan. In de bijkeuken ruil ik stofjas en laarzen om voor bedrijfskleding. Er zijn hier problemen met enkele stieren. Toen op de televisie koeien met mond- en klauwzeer te zien waren, had de boer tegen zijn vrouw gezegd: “Da’s krek as bij ons in de stal.”

002

bedrijfskleding en laarzen

Stal
In een grote hal staan aan weerskanten van de voergang ongeveer honderdtwintig stieren. Dikke buizen verdelen de ruimte in compartimenten met kleine groepjes dieren van dezelfde leeftijd.  Ze worden afgemest voor de slacht. Vóór het voerhek ligt over de hele lengte van de stal een berg gehakselde mais met krachtvoerbrokken. Aan het eind van de voergang staat een grote shovel. In het eerste compartiment naast de ingang staan drie vleesstieren van een half jaar oud. Die zijn niet in orde. Ze kijken sloom en hebben ingevallen flanken: ze hebben weinig gevreten. Hun tong hangt uit de bek en speeksel drupt op de roostervloer en in de mestput. De andere stieren zien er goed uit: ze staan te vreten of liggen rustig te herkauwen. Ik doe handschoenen aan en klim over het voerhek in het hok. De dieren hebben koorts, alle drie rond de 40º. Aan neus en lippen is niks afwijkends te zien. In de bek zitten halflosse vellen. De plekken waar het slijmvlies heeft losgelaten zijn vuurrood. Aan hun poten hebben ze geen blaren en ze zijn niet kreupel: dit is dus mondzeer zonder klauwzeer. Maar zo’n ziekte staat in de veterinaire handboeken niet vermeld.

Alarm
We besluiten om het alarmnummer te bellen. Een half uur later verschijnen twee leden van het MKZ-team gekleed in witte pakken. Uit de bek van de  stieren worden monsters genomen. Hun oornummers worden genoteerd. De buisjes zullen naar het laboratorium in Lelystad worden gebracht. De specialisten beoordelen de toestand in de stal als ernstigverdacht en dat heeft vernietigende gevolgen: het betekent dat nog dezelfde dag moet worden begonnen met ruimen. Niet alleen deze honderdtwintig stieren maar alle vee in een omtrek van twee kilometer zal preventief worden geruimd. Geen koe of schaap, varken of geit zal er in het dorp overblijven; ook geen hobbydieren. Ik wijs op het ontbreken van klauwzeer bij de stieren. Daarop worden de poten van de drie patiënten nog eens extra onderzocht: elke poot wordt met een lap gereinigd en met een zaklamp beschenen. Ook dan is er geen blaar of korstje te vinden. Desondanks moet er onmiddellijk worden geruimd want het beeld is zeer alarmerend. De laboratoriumuitslag van de volgende ochtend zal niet worden afgewacht.

Mucosal disease
Maar ik ben niet overtuigd, wel eigenwijs: “Volgens mij hebben de stieren mucosal disease.” Er valt een stilte. De officials zijn verrast: die mogelijkheid werd niet overwogen. Bij mucosal disease (slijmvliesziekte) hebben de aangetaste dieren ook ernstig ontstoken slijmvliezen in de bek; de ziekte tast jong rundvee aan. En pinken met mucosal disease hebben nooit klauwzeer. Maar mijn suggestie heeft  ook een zwakke plek: dieren met mucosal disease hebben altijd diarree. En daarvan is hier niks gebleken. Daarom vraag ik de boer: “Heb je geen dunne mest gezien bij deze stieren?” Hij krabt nadenkend onder zijn pet en zegt langzaam: “Nou dà ge me dè zo vroagt, veearts: vanmerge ware deez vanachter veul smerriger as anders.”

Snelle test
Daarmee redt hij niet alleen zijn eigen stieren maar alle vee in het dorp. Want het crisisteam besluit om dan toch maar eerst de uitslag van het snelle laboratoriumonderzoek af te wachten de volgende ochtend alvorens met ruimen te laten beginnen. De volgende ochtend is die uitslag negatief: dus géén MKZ. Later wordt bij het uitgebreide onderzoek evenmin mond- en klauwzeervirus gevonden. Maar ook mijn bewering dat de stieren mucosal disease hadden, bleek later onjuist. Want die ziekte verloopt altijd dodelijk. En deze drie stieren waren vijf dagen later weer helemaal beter. Hoe dat kwam?

Afloop
De volgende dag, nadat de voorlopige uitslag bekend was geworden, heb ik drie flesjes penicilline afgegeven aan de boer om er de drie zieke stieren mee in te spuiten. Na twee dagen knapten ze op en de vijfde dag vraten ze alle drie weer als vanouds. Bij dat behandelingsresultaat past volgens mij maar één diagnose en dat is: difterie. Want zowel het MKZ-virus als het virus dat mucosal disease veroorzaakt zijn ongevoelig voor penicilline. Maar de difteriebacil is dat wel en in hoge mate. Als de ontsteking alleen in de bek zit, is difterie daarmee snel te genezen. Maar difterie treft doorgaans jongere kalveren; oudere kalveren worden maar zelden aangetast. Inderdaad: zelden. Maar het komt wel voor.

003

jonge vleesstier

| Index Landbouwhuisdieren |
>> volgende: 20. Boviene Virus Diarree (immuundepressie)

 

www.verberneboek.nl
ISBN 978-90-812153-7-4
© 2008-2009 Rogier Verberne